Woordenschat uit het West-Vlaams

Afseits: buitenspel
Allégow zeg: Alsjeblieft zeg
'n Allée: de hal, overloop
Alaom: werkgereedschap
Alsan: altijd
Altemets: soms
Altope: met z'n allen samen
'n Anhoeder: de aanhouder
Andjoen: ajuin
Antidns / Tielik: vroeg
Antyn: meer dan op tijd
Aokeweiren: tegendraads zijn
Appeprë: ongeveer (min of meer)
Avance: nut (bv. té nie veel avance - het heeft niet veel nut)
Aciete: bord om uit te eten
Akendoe: maar jawel ik gaan da wel doen
Batoet: tochwel
Battendoet: heel zeker niet
Beuzen: zakken van kledij waar je iets kunt instoppen (bv. Doe jou handen uit je beuzen)
Ballanswoore, Juttekakokuhr, Renne: schommel
Baladeuze: looplamp
Barvoete: blootvoets
Bassen': blaffen, hoesten
Bassing, bassingsje: kuipje waar je meestal wat water in doet
Battaklang: hebben en houden
Bavette: slabbetje
Bazatse: draagtas
Beiers: bessen
Beschink; receptie van een feest
Betroapen: besmetten
Bollekette: een king-size knikker
Brokkelaire: oen, sukkel, nietsnut
Bruurlink: bloedworst
Bloelink: bloedworst
Bukkepit: buikenpit (Naffle: navel)
Brikke: een baksteen
Bakdoe: maar jawel ik gaan da wel doen
Cornisje: dakgoot
Deur: door
Deure: deur
Derajeur: versnelling
Daerlik: het is maar zo zo. Voorbeeld: 't ligt er maar daerlik bij.
Drinkepulle: drinkbus
Dust: dorst
Dilt: zolder
Den 'n Elt - De helft
Ertefretter: een zeurkous
Ersatz: vervangmiddel van mindere kwaliteit
Elders: uiers
Fersjètte: vork
Fikke: een gebrekkig mens
Flusj: vangtros
Flutse: misser
Furnin't Furnint: ongedierte (bij insecten)
Frutnier: wesp
Fréézn: aardbeien
Floar: hoofddoek, sjaal
Fring: rem
Geistekakker: dikkenekke
Gi n' uul: jij bent toch een grote ezel
Gerre: een gat, kier - bv. de deure stoat up e gerre
Gesoere: vrouwspersoon dat meestal in de struiken gevonden wordt
Geruchtemaker: luidruchtig persoon
Gearnaers: garnalen
Gesgjeete: vrouw met de intelligentie van de gesoere maar met minder succes bij de mannen
Gezegdn: gezegden
Giedong (Gjedong): stuurwiel
Geruhtemaekere: iemand die lawaai maakt
é?: kunt u dat nog eens herhalen aub? (stopwoord)
é je ginder: hebben jullie
'n elder: de uier van een koe
Gjil die santeboetik: heel dat zaakske
Hemelbeestje (Eemelbeestje): lieveheersbeestje
Hitparaede: hitparade
't Upperste: de zolder
Jakeendoed: Ja toch wel heel zeker dat ik weet dat het zo is.
Jammo Jakkendoe(n): dat doe ik toch niet
Jattetoet: jazeker
Junder: Jullie
Kariot: oud vehikel
Kamelot: goedkoop en duurkoop
Kanasjeire (of karnasjeire): boekentas
Keetle: emmer
Keunesnidderke: cuttermes
Kissak: vettigaard
Kluntn: onhandig mens
Klutters / Kluttergelt: kleingeld
Kontroarie: integendeel, tegendraads
Kobbenette: spinnenweb
Kalisheklutser: nietsnut met grote mond
Kortwoagn: kruiwagen
Krudekoeke / zoetekoeke / pennepisse: peperkoek
Kloeffe (kloffe): klop / domme vrouw (domme kloeffe)
Kulten: kleren
Frak: overjas
Levenmaker: luidruchtig persoon
Lattestwoors (lattestoors): rolluiken
Lettre: weinig
Lochtink: moestuin
Lugt: een lamp
Loez'n: borsten
Marbels / Marbeln: knikkers / met knikkers spelen
Meuzje: mug
Meuzel: boodschappentas / zak
Messink: mesthoop
Mezik: muziek
Nëëgerinnetètjes: melo-cakes:
Mobatoet: maar jawel
Mo noeit hie: maar nee
Mo be nint: maar tis niet
Mogow zeg: variant
Mullepeehre / mot: klap in 't gezicht (muilpeer)
Mullepaté: boel hebben
Naffle: navel (ook wel bukkepit: buikenpit)
Nè wok nie tielik: dat is niets te vroeg
Niemendal: iets die zo klein is dat het van weinig of geen belang is
Oalkartjeel: beerkar
Oakre: zie Seule
Ollichte: binnenkort
Oaalkartjeel: aalkarteel, boerenkar om mest op het land te verspreiden
Pallulle: Pannenkoek
Pallullewuppre: Drogegrappenmaker
Pekker: iemand die op café blijft hangen
Pernikkel: klein, onbeduidend mannetje
Pertank: nochtans
Pezewever: iemand die op alle kleine dingen negatieve kritiek uit of overal wil op besparen, een muggenzifter
Pielle: batterijtje
Pilleboerechte: loodrecht
Planché / Planchetten: Planken voor vloer, wand of plafond bekleding
Plekke: plaats
Porre: een goe gebouwde vrouw
Preus / Preus lik tvjirtih: trots / enorm trots zijn
Pruske: parkiet
Puppegoale / Bakwoagn: kruiwagen
Passensje: geduld
Re-sor: springveer
Putonozel / puitonozel: Ik kom stapelzot van jullie.
Remorke: aanhangwagen
Rutte: venster
Rulle: meikever
Rosten: roodharige persoon
Renne (rennekoker): schommel
Roefelaere: bijvoorbeeld iets zoeken in een handtas, graaien in een handtas
Rijze, reize : evenwijdig met elkaar
Sjerpe: sjaal
Spjeke: spaak
Sanzuniek: eenrichtingsverkeer
Sarze / Soarze: deken
Sain'sche: geduld
Siettekarre: moterzijspan
Sk(e)uttels, de sk(e)uttels doen: de vaat doen
Skufln: fluiten, ook vogelzang
Skuflette: fluitje
Skurdug / Skurdugoard: roekeloos, roekeloos persoon
Skuw: gevaarlijk / geweldig (let op het verschil in betekenis)
Seule: emmer
Sjette: wol
Sjette geevn: rap voortdoen, goaze geevn
Slunse: vod / vrouw met lichte zeden / 'gif mo slunse' betekend het geef er maar eens een lap op.
Sloare: sloor, arme vrouw
Smeirlaprie: goederen van bedenkelijke kwaliteit
Smuk (Smukk'n): motregen (motregenen)
Smoefelaere: Iemand die verzot is van lekker eten
Stoffoasje: materiaal
Stuttn: boterhammen
Stuteskooijer: boterhammenbedelaar
Strontvliege: bromvlieg
Spriet (sprie): rits
Schum van schéééte: opgeklopt eiwit
Sloore: een te beklagen vrouw
Sulfers: lucifers
Stoppezot, Ik kom stapelzot van jullie.
Ter plekke: ter plaatse
Talore: bord om uit te eten
Tefeihte (Tefêhte): straks
Tèting (Tettingk): regenworm
Tierette: rits
Teusje: een slokje
Teuge: een goede schuit vloeistof
Tierlijk: te vroeg, vroeg aan zijn.
Tjeehle: teil
Tsjooldr: sukkelaar, bricoleur, iemand met 2 linker handen
Toetoet: toch wel / geen commentaar
Tutte: fopspeen
Trunte: treuzelaar
Totetrekker: iemand die heel goed kan doen alsof hij met iets akkoord gaat maar dit eigenlijk niet is.
Ulle: deksel
Ullewuppre: kroontjeswipper, flesopener
Usz: onze
Valla zë: ziezo
Van enstens: over heel de lijn
Van tweistn: dwars
Vermassakreren: kapotmaken terwijl je het eigenelijk aan het maken bent
Verzekers: waarschijnlijk
Véle: veel
Veugl, veugln: vogel, ook figuurlijk, vandaar het werkwoord
Vlerke, vleire: vleugel
Vrommins: vrouw
Vrets: zeer rap, het is snel gegaan, zo plots
Vrats: zeer rap, het is snel gegaan, zo plots
Wietn: onnozelaar
Wuf: vrouw, geen negatieve connotatie
Wulle: Wol
Zeveraere: zeveraar, iemand die uit zijn nek kletst
Zjeemtette: slijmbal, zagevent
Zjallezie: vliegenraam
Zinder: Zij
Zukken kalf: variant
Zwaert: zwaard
Zwaere: een zweer, puist
Zwinnig: het is leuk
Zwoane: zwaan

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen